De Winkelhaak (dewinkelhaak.net)
 
  Home

De kazerne

VVDM-afdeling Nunspeet

Kazernekranten

Artikelen

Boeken

Contact
  Het prille begin (3) Diefstal en sabotage

Vier grote bouwplaatsen met bouwmaterialen ter waarde van miljoenen guldens en angst voor sabotage. Reden genoeg voor permanente bewaking tijdens de bouwperiode en daartoe werd vanuit het zuiden des lands een bataljon infanterie naar de Veluwe en Steenwijkerwold gestuurd.

Dagblad Trouw van 8 februari 1952: 'Vernielingen in kazerne te Nunspeet'. In de nacht van woensdag (27-2) op donderdag waren er met opzet twee manometers vernield van de pompinstallatie van de kazerne, aldus de krant. Rijkspolitie en recherche stelden een onderzoek in. Er werd niet direct aan sabotage gedacht: 'Er wordt bij deze bouw onder hoogspanning gewerkt en het is daarom mogelijk, dat deze vernielingen uit wrok tegenover een of andere uitvoerder zijn aangebracht.' Trouw vermeldde voorts dat er 's nachts particuliere bewaking was, maar dat er desondanks een zware trilmachine was gestolen.
Ook op de Legerplaats 't Harde werd er gestolen, daarover doen heden ten dage nog hardnekkige verhalen de ronde. Zo zouden bouwmaterialen die aan de voorkant het kazerneterrein opkwamen, met haast dezelfde vaart weer via de achterpoort worden afgevoerd.

Naast de vrees voor sabotage, waarbij men aan pacifistische dan wel communistische elementen dacht, was diefstal dan ook reden om de kazerneterreinen te beveiligen. Terwijl de vier kazernes in februari de voltooiing naderden, was blijkbaar de particuliere beveiliging niet meer voldoende. De uitgestrektheid van de terreinen van de grootste kazernes tot dan toe gebouwd in Nederland, zal daar een rol in hebben gespeeld. De landmacht putte daarom uit het eigen arsenaal van eenheden om de bewaking voort te zetten. In het zuiden des lands werd een infanteriebataljon gevonden dat klaar was met de opleiding en dat al eerder op de Legerplaats Oirschot wachttaken had vervuld: 322 Bataljon Limburgse Jagers (322 BLJ). Op 29 februari werd naar ieder van de vier kazernes een compagnie uitgezonden. Nunspeet was de uitzondering: die kreeg behalve de H-compagnie ook de Staf en stafcie. Zodoende werden Limburgse en Brabantse jongens de allereerste permanente bewoners van de legerplaats. Ze konden direct aan de slag met wachtlopen, brandpiket en corvee.*


Een PIAT groep van de Limburgse Jagers op de legerplaats in aanbouw.
(foto: Historische collectie Limburgse Jagers)


Limburgse Jager Bair Heijen over de legerplaats: 'In Nunspeet was het nog een aardig rommeltje. De wegen waren nog niet klaar, geen appèlplaats en verschillende gebouwen zoals de cantine en de officiersmess stonden nog in de steigers.'
Wachtlopen was een saaie bezigheid, maar in het donker werd dat een ander verhaal. Heijen en zijn mede-soldaten moesten ergens in hun eentje gaan staan en dan werd het toch spannend. In het donker kun je je van alles inbeelden. Een soldaat schoot op iets dat hij zag bewegen en dat niet reageerde op zijn aanroep. Dat bleek even later een lege cementzak te zijn.
Patrouille lopen 's nachts was een avontuur op zich. Bair Heijen: 'Het wachtlopen 's nachts was niet bepaald een pretje. Je had gewoon geen idee waar je ergens stond. Het was er enorm groot en er was geen verlichting. Had je wachtpatrouille dan moest je met drie man buiten het kamp om langs de afrastering. De voorste man had een zaklantaarn en die moest dan maar de weg zoeken. Menig keer werd er in de nacht gevloekt als je voor de zoveelste keer ergens tegen aanliep of in trapte.'
Lang zou het wachtlopen echter niet duren en toen alle vier de legerplaatsen bewoonbaar waren, werd 322 BLJ op 18 maart in Nunspeet weer samengevoegd. Op diezelfde datum werd het onder het commando van 32 Regiment Infanterie geplaatst. Het was vanaf toen weer zaken als vanouds met al snel een oefening met bivak bij Hulshorst, op minder dan tien kilometer lopen van de kazerne.

Naar artikel 4

* Bron: Historische collectie Limburgse Jagers. In het vorige artikel werd door het Nunspeets Nieuws en Advertentieblad 18 maart genoemd als datum waarop de eerste permanente eenheden de kazerne betrokken. Dit betrof waarschijnlijk het weer samengevoegde 322 BLJ. De grote golf van andere permanente eenheden kwam begin april.

 

 
Limburgse Jagers & 322 BLJ

Het Regiment Limburgse Jagers (RLJ) werd op 1 juli 1950 opgericht. Het zet de tradities voort van de op diezelfde datum opgeheven Regimenten Infanterie 2, 6 en 11. De naam Limburgse Jagers werd gekozen door de eerste regimentscommandant, luitenant-kolonel J.L.H.A. Antoni, die van 1948 tot 1950 commandant was van zowel 2 RI als 6 RI. Antoni werd als kolonel commandant van 32 RI, waar ook 322 BLJ onder zou vallen. 322 BLJ werd op 1 februari 1952 opgericht, in juli 1953 werd het omgenummerd tot 432 BLJ en op 1 juni 1957 tot 16 BLJ. Het bataljon werd op 18 april 1975 mobilisabel gesteld.