De Winkelhaak (dewinkelhaak.net)
 
  Home

De kazerne

VVDM-afdeling Nunspeet

Kazernekranten

Artikelen

Boeken

Contact
  Soldaat in de jaren '90. (1) Een leger zonder vijand
Door: Ben

De Koude Oorlog was voorbij en het leger kromp, maar ondanks dat was er als voorheen behoefte aan dienstplichtigen. Ben had altijd al interesse in militaire zaken en defensie en meldde zich zonder tegenzin bij de Rijschool Bergen op Zoom, om opgeleid te worden tot 4-tonnerchauffeur.

Ik kreeg mijn rijopleiding op de DAF YA-4440 op de Cort Heijligerskazerne te Bergen op Zoom. De dag van mijn opkomst had de groep van vredesactivist Kees Koning een groot deel van het rollend materieel beschadigd. Veel LARO’s en 4-tonners stonden een paar dagen met lekke banden.
De eerste week: ophalen van je PSU, tandartsbezoek en aan het einde van de week de 'stereo prik' waar je lekker het hele weekend een stijve arm aan overhield. De eerste vrijdag mocht je als een 'aangeklede aap' in je DT* naar huis met de trein. Aan de ene kant was het wel bijzonder, maar je voelde je toch enigszins ongemakkelijk en bekeken.
In Bergen op Zoom was er weinig tijd voor de Algemene Militaire Opleiding, de nadruk lag op rijinstructie en het behalen van je rijbewijs. Na het behalen hiervan werd bekend gemaakt naar welke parate eenheid je werd gestuurd. In de laatste week moest je je plunjebaal inpakken zodat deze met de lijndienst naar je nieuwe kazerne kon worden gebracht. Je hoopte natuurlijk dat je mede-dienstplichtigen (die inmiddels maten waren geworden) ook naar jouw kazerne zouden gaan. Er waren uiteindelijk twee jongens die ook naar de Generaal Winkelmankazerne in Nunspeet gingen, beiden naar andere onderdelen.

Een ongeordende bende

Tijdens de treinrit op maandagochtend van huis naar Nunspeet stapten er meer en meer militairen in, wederom gekleed in DT. Op station Nunspeet werden we opgepikt door een gereedstaande 4-tonner. Al snel werd er “He verse!” geroepen en de toon was gezet voor die week. Bij aankomst bij 12 Gnkcie werden de plunjebalen er door de lijndienst bij het legeringsgebouw afgegooid.
Mijn eerste indruk was dat het een ongeordende bende was. De compagniestaf was druk met iedereen in te delen voor de juiste kamers en om uit te zoeken wie wie was en waar deze binnen de compagnie naartoe moest. Mijn gedachte was toen: “Gelukkig is het geen oorlog, want als het nu al zo’n zooitje is….”

 
Zo moet het: bed, kast, bed, kast.......althans, op de opleiding.

 
De kamer waar ik de rest van mijn diensttijd zou overnachten bleek één grote bende. Alle bedden door elkaar, PSU-kasten wel bij het bed maar geen enkele orde zoals tijdens de opleiding. Op zich geen probleem, alleen was het onduidelijk van wie welk bed was, waar ik mijn spullen kon inruimen en of er nog enige rangorde was op de kamer. Al snel bleek dat je gewoon maar zelf het een en ander moest regelen. Uiteindelijk bleken we een kamer voor acht à negen personen te hebben waarvan het grootste deel elke avond thuis sliep. We waren elke avond met drie à vier man aanwezig. Na enige weken konden we de kamer zelf inrichten omdat de bedden van de afzwaaiers werden verwijderd. Van de thuisslapers stonden er alleen de PSU-kasten. Bij inspectie een keer per week waren we met alle soldaten op de kamer aanwezig. De meesten druppelden zo rond 7:50 uur binnen, precies op tijd voor het appèl.

Verveling, motivatie en inzet

Toentertijd was in de samenleving het beeld van defensie dat je er niet echt nuttig bezig kon zijn. Dit werd later bevestigd door de vele zinloze ritjes met een 4-tonner, het eindeloos schuren en verven van je voertuig, het opvolgen van de meest onzinnige bevelen en de vele uren verveling. Er was immers geen dreiging meer vanuit het oosten, dus waarom nog fanatiek 'soldaatje spelen'? Enkele keren bekroop me het vervelende gevoel Wat doe ik hier nog in hemelsnaam? Ik moet nog zes maanden, hoe kom ik deze tijd door?
De verveling en het soms nutteloze gevoel golden ook voor mijn medesoldaten. Hoewel enkele KVV ’ers** wel wat meer motivatie en inzet toonden. Maar ook die gaven er vaak de brui aan als 90% van het peloton geen inzet toonde. De sfeer onderling was goed, altijd tijd voor een grap. De motivatie was er meer vanuit 'We zitten allemaal in hetzelfde schuitje.' Het kader was voor 80% beroeps, maar ook hier zag je dat er soms weinig motivatie was, met name door bezuinigingen en overplaatsingen.

De volgende keer (artikel 2): Drugs, drank en vechtpartijen

* Dagelijks Tenue. Het eerdere 'nette pak' was het VT met het korte jasje. Dit jasje werd vervangen door een langere versie die al eerder door beroepsmilitairen werd gedragen.
** Kort Verband Vrijwilligers: onderofficieren met een contract voor vier of zes jaar.


 
Soldaat in de jaren '90

Ben* was van lichting 93-2 en hoefde maar twaalf maanden te dienen. Na een korte opleiding werd hij naar de Winkelmankazerne gestuurd naar 12 Geneeskundige-compagnie. Een compagnie in een leger dat geen vijand meer had en onderhevig was aan grote organisatorische veranderingen. Een leger ook waarin dingen gebeurden, vooral in de vrije tijd, waar dienstplichtigen uit vroeger jaren beslist van opkijken. Ben doet in drie artikelen verslag over de laatste jaren van het dienstplichtleger, die maar weinig bekendheid genieten.

* Achternaam wegens privacy niet vermeld.

Een verloren jaar. De nadagen van een leger zonder vijand
NRC Handelsblad 15-08-1992

Onder deze koppen vulde het NRC in 1992 een artikel over twee pagina's over de nadagen van het dienstplichtleger. Daarvoor werd onder meer de legerplaats Oirschot bezocht en dienstplichtigen en beroeps aan de tand gevoeld.
Over het nut en de zin van de activiteiten van de eersten. “Het is allemaal nutteloos,” riep een van de dienstplichtigen die zich rond de verslaggever hadden verzameld. “Tijdenlang zitten we niets te doen. Om ons een beetje bezig te houden verzinnen ze oefeningen en uitjes, maar daarvoor zijn we toch niet opgekomen?” Een ander beaamde dit: “Als timmerman was ik gewend hard te werken, maar hier merkte ik al gauw dat je geen flikker te doen hebt. Dat gaf me een klap in het gezicht: moet ik hiervoor een jaar van mijn leven opofferen dacht ik steeds?”
Er werd gebaald en dat uitte zich juist in minder inzet. In de nabijgelegen tankwerkplaats had men geen hoge dunk van dienstplichtigen. Een beroeps: “Aan de meesten van hen hebben we niks, ze zijn alleen maar lastig. Van de mensen die hier werken is 30% dienstplichtig, maar hun prestaties vormen niet meer dan 2% van het totaal. ”Over een paar maanden ben ik toch weg,” denken ze, en “Voor dat beetje geld dat ik krijg ga ik hier niet hard werken.” Geef ze eens ongelijk.”
Op dat moment werd door de commissie Meier een onderzoek gedaan of voortzetting van de dienstplicht wenselijk en zinnig was.