De Winkelhaak (dewinkelhaak.net)
 
  Home

De kazerne

VVDM-afdeling Nunspeet

Kazernekranten

Artikelen

Boeken

Contact
 


Tuig! Dienstplichtig, beroeps en de straatjeugd van Nijmegen

Wie wel eens historische kranten doorneemt valt soms van de ene verbazing in de andere. De volgende bloemlezing is de bijvangst van een zoektocht naar iets heel anders. Sommige voorvallen zijn vermakelijk nieuws waar je ironisch over kunt doen, maar andere totaal niet. Berichten uit een voorbije tijd met als trefwoord Havenkazerne.

Zomaar een berichtje in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 8 juni 1889: “In de Havenkazerne werd hedenmorgen 8½ uur aan den soldaat hoornblazer H., tehuis behoorende te 's Bosch, een briefje van ontslag wegens aanhoudend wangedrag uitgereikt, waarmede hij uit den militairen dienst werd verwijderd.”
Dat zal opgelucht hebben, voor zowel 'den militairen dienst', de dienstmakkers van H. als voor H. zelf. Een uitzondering? Niet echt. Een jaar eerder werd van dezelfde Havenkazerne te Nijmegen de soldaat d. N. wegens hetzelfde soort gedrag met “een briefje van ontslag weggejaagd.”* Zo makkelijk ging dat toen, Nieuwersluis** lag nog ver achter de horizon. Lag dat aan de Havenkazerne, een overbevolkte gribustent die niet eens gebouwd was om als kazerne te dienen maar als heel iets anders? Nee, want op de eveneens in Nijmegen gelegen Valkhofkazerne die uit hetzelfde hout was gesneden, werd ook een soldaat “voor het front der aangetreden troepen, wegens voortdurend wangedrag, met een briefje van ontslag uit de gelederen verwijderd.”***

Een flinke vent

Nog een voorval op de Havenkazerne, maar dan die van Geertruidenberg op 15 november in het jaar des Heeren 1900. Hier liet de eerste luitenant-adjudant P.A. de Ridder, dienende bij het 6e Regiment Infanterie, zich kennen als een regelrechte schoft. Hij hitste zijn hond op om de geliefde kazernekat Kees aan te vallen. De hond had niet veel zin en Kees weerde zich dapper, maar had buiten de luitenant-adjudant gerekend. Citaat:
“De arme poes verdedigde zich wanhopig en zou den hond een gevoelige les gegeven hebben, zo niet des luitenants zweep, telkens als de hond het onderspit zou delven, met kracht op de kat ware terecht gekomen. Eindelijk stuiptrekkend uitgerekt waagt poes nog een laatste poging, vliegt den hond aan, maar een kranige slag van des luitenants zweep doodde de kat.”
Deze flinke vent werd aangepakt en de krijgsraad in 's Hertogenbosch veroordeelde hem tot vijftig gulden boete of vijftig dagen hechtenis. De luitenant-adjudant vond dat onrechtvaardig en ging in hoger beroep. Maar de uitspraak van het Hoog Militair Gerechtshof was gelijkluidend: schuldig. De boete werd verhoogd naar 75 gulden, aangevuld met twintig dagen hechtenis en tevens het betalen van de kosten van krijgsraad en hoger beroep. Kees moet tevreden gebromd hebben in de kattenhemel.

Het betere sloopwerk

Terug naar de Havenkazerne in Nijmegen en in de tijd, naar het jaar 1890. De kazerne was uitgediend, de laatste infanteristen waren naar Amersfoort vertrokken en de gebouwen die gesloopt zouden worden boden een desolate aanblik. De Nijmeegse jeugd begon alvast met sloopwerk door ruiten in te gooien. De Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant had geteld, van de 180 ramen waren er al 160 ingegooid.**** Er bleef niet veel over voor actieve schoffies en daarom werden ook, je moet toch iets te doen hebben, op de Berg-en-Dalschen Weg grooten steenen tegen de aldaar gespannen telephoondraden geworpen. Echt, er is niets nieuws onder de zon.


* Cursivering door redactie.
** De militaire strafgevangenis en tuchtinrichting die hier vanaf 1946 was gevestigd.
*** Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant 04-08-1885
**** Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant 03-06-1890


 
Geen tuig, maar wel triest

“Gistermorgen omstreeks 6¼ uur heeft zich in de Havenkazerne de korporaal Jan S., oud 18 jaren, van het 1. bat. 3. comp. van het 5. reg. infanterie alhier, met een geweer doodgeschoten terwijl hij op zijn krib lag. Den loop had hij onder de kin geplaatst, zoodat de kogel in de hersenen drong en de dood onmiddellijk volgde.
Naar men verneemt was de jongeling als tamboer in dienst getreden en had hij reeds 4 jaren trouw en eerlijk zonder eenige straf gediend; de aanleidende oorzaak tot zijn wanhopige daad is dus niet met zekerheid bekend, doch men meent te weten dat hij den laatsten tijd aan zwaarmoedigheid leed."

Bron: Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant 22-10-1889